Zij (4)

Nu, na al die tijd, nu kon hij het wel. Nu wilde hij het ook. Nu was er eindelijk dat moment dat er eigenlijk die ochtend had kunnen zijn. Of had moeten zijn.

Maar mij maakte het niks uit. Mij maakte het alleen maar uit dát het gebeurde, dat het er was. Dat hij er was. Dat hij durfde te zijn, en kon zijn, bij mij. Met mij. Om mij, misschien wel. Want wat ik voelde, was niet alleen verdriet. Niet alleen angst. Niet alleen een behoefte aan troost en steun. Ik voelde meer. Woorden waren niet nodig. Nu niet.
Zijn ogen zeiden genoeg. En de tranen die eruit stroomden.

Daardoor hield ik het ook niet droog, en we lagen dus een potje te janken en te grienen met zijn tweetjes. God, wat kon ik nu merken dat ik van hem was gaan houden. Echt van hem was gaan houden. Dat wat er toen was, tijdens het strandweekend, dat was er nu weer. Alleen leek het nu meer lading te hebben, meer betekenis.

Ik wist nu nog beter wat hij te overwinnen had. Hij wist nu waarvoor hij het deed. En toen was ik natuurlijk ook nog niet zwanger. Toen is het gebeurd. En misschien heeft het wel zo moeten zijn. Dat het in mij de tijd nodig had om te groeien, levensvatbaar te worden. En dat het in hem de tijd nodig had om te rijpen, rijp om het te verwerken.

Het was nog intenser dan die nacht in het hotel aan het strand. Het was zo echt. Zo ontroerend. Intiem, teder. Lief, heel erg lief was hij. Ik had het altijd al wel geweten, dat hij de liefste man ter wereld kon zijn. Maar nu voelde ik het ook. Het maakte me intens gelukkig.

De ochtend erna lag hij me stralend aan te kijken. Maar nu leek het wel of de rollen omgekeerd waren. Nu voelde ik onrust. Ik voelde me onoprecht. Na zo'n mooie, zuivere, pure nacht vol tederheid voelde ik me een bedriegster. Dat wilde ik niet zijn.

Free Blog Counter