Na die heerlijke nacht had ik haar zien wakker worden. Misschien dat ik wel uren naar haar had liggen kijken. En ze werd zo lief en onschuldig wakker. Pas toen kon ik mijn ogen weer even dichtdoen. Meer en meer kwam terug.
We gingen het doen, Rianne en ik. De wereld een mooie plek maken. Zo mooi mogelijk. En als het even kon ook nog beter. Niet dat we nou van die idealistische wereldverbeteraars waren, daarvoor waren we teveel levensgenieters. Maar we waren ons wel bewust van de wereld om ons heen, en dat niet iedereen het geluk had wat wij bij elkaar hadden gevonden.
We deelden het zoveel als we konden. Met onze families, onze naasten, degenen die ons het meest nabij stonden.
Mijn vader werd zienderogen gelukkiger als hij ons zag, als hij zag dat het goed was, dat het goed ging, dat wij goed voor elkaar waren. En dat was mooi, dat deed mij dan weer enorm veel plezier. Ik had met mijn vader een veel betere band gekregen, sinds Rianne. Alsof zij dat altijd aanwezige ijslaagje dat er ongemerkt tussen ons was had doen wegsmelten. Zij gaf de warmte die nodig was. En ze ging ook wel eens in haar eentje naar mijn vader. Gewoon, omdat ze dat leuk vond. Omdat ze hem een lieve charmante man vond. En ze ging heel af en toe bij hem dineren. Dan had hij voor haar gekookt, en zij vond dat dan weer geweldig. Want dat kon hij wel. Koken, er wat bijzonders van maken, alles erop en eraan. En zij kwam dan altijd helemaal stralend weer thuis, misschien nog wel meer stralend dan anders, glimmend en opgepoetst door het uitgebreide wattenbad en de golven van warme aandacht, door het lekkere eten, het vertrouwelijke en vertrouwde gebabbel.
Tot die ene keer, dat ze terug kwam. Ik zag dat ze gehuild had, ik voelde dat ze ontdaan was, ik wist dat er wat was. Niet zomaar iets, want anders zou zij zo niet zijn. Niet zo, niet nu.
Ik was die avond met haar jongere broer en zus naar een concert geweest. Zoals zij de dingen met mijn vader had, zo was er bij mij een band ontstaan met haar broertje en zusje. Met als basis de gezamenlijke muziekvoorkeuren. En dan zagen we de ene keer een obscuur en nog onbekend bandje in een achterafzaaltje, de andere keer een groots en meeslepend concert van grote en meeslepende artiesten. Al konden de optredens in die kleinere zaaltjes misschien nog wel grootser en meeslepender zijn dan de groots opgezette shows met duizenden en duizenden bezoekers. Dat maakte het mooi en spannend.
Haar broertje en zusje waren flink wat jonger dan ik, en ik wilde dan weer jong van geest blijven. Bovendien merkte ik dat er met name vanuit de vriendinnen- en bekendenkring van het zusje een soort van bewondering naar mij toe stroomde. Blijkbaar was ik een soort held voor die jonge meiden, al was me nooit helemaal duidelijk geworden waarom dat nou zo was. Misschien omdat het me aan te zien was dat ik genoot van het leven, dat ik gelukkig was, dat ik mezelf, samen met Rianne, de wereldster van mijn eigen leven voelde. Leuk was het in ieder geval wel, die soms een beetje zwijmelende blikken. Al zag ik in alle moois om mij heen vooral en altijd Rianne.
Mijn zon, mijn stralend middelpunt, mijn bron van leven, mijn wereld, mijn maan en sterren. Haar knetterende onbewolktheid. Tot die ene dag, die ene avond. Ik had tot dan toe nog nooit betraande zonnestralen gezien.
En meer en meer. Voelde ik het weer. Het dal van onvergeten herinneringen begon open te trekken. De bergtoppen had ik alweer bewandeld, de daar stralende zon deed nu ook de mist en nevel in de lager gelegen gebieden verdwijnen. Langzaam maar zeker.