De pijn aan de buitenkant, en de pijnstillers in mijn lijf die die buitenpijn een beetje draaglijk maakten. Dat was heel wat anders dan mijn binnenpijn. Daar kon niks tegenop. Wegrennen, vluchten, er even niet zijn. Dat kon. Maar dat kon nu niet.
Vreemd genoeg maakte dat besef de binnenpijn zichtbaar. Voelbaar. Handelbaar. Maar ik moest ook wel. Als je wil overleven, dan gaat je instinct op zoek naar een manier waarop dat het beste kan, rekening houdend met de omstandigheden. Best mooi. Darwin. Overlevingsinstinct. Oerkracht. Wil om te leven. Meer zijn dan zijn. Groeien, doen groeien. En groeien doet pijn, soms. Vaak. Pijn moet, soms. Loslaten ook. Dat doet soms pijn. De pijn van het loslaten, het loslaten van de pijn, het loslaten van de kracht die in je zit en het tegelijkertijd koesteren. Zorgen dat de oerkracht groeit, in al zijn kwetsbaarheid. Zich kan laven aan de zon, het licht, het leven. De liefde. Liefde en leven. En zo ijlde ik weg, van bewust naar onbewust. Maar andersom was er ook iets. Een groeiend besef.
Het was later. En ik had geslapen, was weggedroomd, even weggegleden, wat me goed had gedaan. De dienstdoend arts had iedereen even weggejaagd, als regerende hogere macht. Weer eens wat anders. Vaak deed ik dat zelf, iedereen wegjagen. Nu had ik daar niet zo'n behoefte aan. Alsof de klappen op mijn hoofd ervoor hadden gezorgd dat alles wat beter op zijn plek terecht was gekomen. Verdoofd, maar toch helder. Helder, breekbaar besef. En er was iets. Iets wat ik ooit gehad had. Iets wat ik was kwijtgeraakt. Iets wat ik nooit meer had willen terughebben. Iets wat ik nooit meer had willen voelen. Iets wat ik nooit had kunnen vergeten. Toch had ik dat gedaan. Vergeten.
Zij was er weer. En haar hand ook. In de mijne. Of andersom. Hand in hand. Het voelde als samen, het voelde als zijn, het voelde als leven, het voelde heel fijn.
En opeens had ik alles. Alles wat ik nooit meer had gewild. Meer dan ooit. En ze vertelde me wat we samen al voelden. En er was alles. Alles wat er ooit geweest was. Maar nu was er geen strand om naar te vluchten, geen zee om mijn angsten in te verdrinken en mijn tranen op te vangen.
Er was nog wel de nacht. Die nacht. Ingeklemd tussen de avond samen en de ochtend alleen. Tussen romantiek en eenzaamheid. Tussen samen zijn en alleen vluchten. Tussen aantrekken en terugtrekken. Tussen liefde en angst. Die nacht die onvergetelijk bleek. De nacht voor de tranen. De nacht van de liefdestraan, op weg naar licht en leven. De nacht dat leven liefde was, en liefde leven werd. Die nacht. Bleef. Onvergetelijk.
En er was niets meer dat ik nooit zou doen. Voor haar, voor ons. Voor het leven in haar, van ons. Nieuw leven. Nooit zou ik meer vergeten dat zij de vrouw was. Nooit wilde ik nooit meer vader zijn. Nooit wilde ik meer dan ooit. Een kind. Met haar. Van haar.
Vergeten. Vader. Vrouw. Kind. Alles kwam terug. Die nacht. Die laatste nacht.