Leven (11)

Rusteloosheid. Onrust. Er bekroop me ineens van alles. Ook dat onbestemde gevoel dat ik bij Ilse kreeg. Er was iets, en ik kwam er niet achter wat dat was.
En nu de herinneringen vorm kregen, nu de gevoelens van weleer weer gevoeld konden worden, voelde het nu zo anders dan het ooit was. Het in ere herstelde verleden was nu even de norm.

Niet eerlijk. Natuurlijk niet eerlijk. Niet naar Ilse. Ook niet naar mezelf, denk ik. Maar het gebeurde wel. Ik werd er rusteloos van. Kriebelig. En ik dacht weer aan de Aisha van de moderne tijd. En ik herinnerde me dat het me een pak slaag had opgeleverd. Niet al te verstandig dus om een plan te bedenken dat me zou helpen haar weer te vinden. Helemaal niet verstandig. In geen enkel opzicht. Maar toch wilde ik het. Geen idee waarom.

En zo verzon ik een waardeloos kutsmoesje voor Ilse. Klootzak die ik was. Daarmee begon ik meteen al weer flink te sjorren aan de vertrouwensbanden van onze relatie. Dat besefte ik maar al te goed. En dat maakte me dus een ontzettende klootzak.
Maar ook dat hield me niet tegen. Moest ze me ook maar niet dat onbestemde gevoel geven.

Het plan sloeg helemaal nergens op. Ik had mezelf op de een of andere manier wijsgemaakt dat ik incognito in een soort van vermomming de stad in kon gaan. Veel creatiever dan een zonnebril en een petje was ik niet. En in de eerste de beste kroeg die ik binnenging werd ik al herkend. Dat ging dus lekker. Gelukkig liep ik niet het risico dat ik de broer van Ilse zou tegenkomen, want die was op vakantie.

Maar goed, hier en daar wat gebabbel en gedoe, jaja, alles was weer ok, verder ging het ook goed, ja natuurlijk, toch weer even in de stad kijken, alweer tijdje geleden, biertje hier, biertje daar. Eigenlijk nog best gezellig ook. Maar daar kwam ik niet voor. Gezelligheid hoefde even niet, ik was een man met een missie. Dat die missie ondoordacht en impulsief was, dat was iets wat ik wel wist, maar wat ik net zo makkelijk negeerde. Wat moest dat moest.

En verdomd, het geluk is soms dus echt met de dommen. Zwierig, stralende ogen, daar stond ze. Ik keek naar haar, zij keek naar mij. Met herkenning, een zweem van ongeloof, en iets van angst en twijfel in haar blik. Ze leek een beetje geschrokken, mij hier te zien. Toch kwam ze naar me toe, en ik naar haar. Even een rustiger plekje opzoeken.
Ze had inderdaad niet verwacht mij hier te zien. Mij ooit weer hier te zien. Mij ooit weer te zien. Ze vertelde dat ze ook in het ziekenhuis was geweest, maar dat ze niet op bezoek mocht bij mij. Niet van het personeel. En omdat ze ook een andere vrouw had gezien, die wél naar binnen mocht had ze het daar maar bij gelaten. Wel had ze gehoord dat het allemaal meeviel, achteraf. Verder wist ze het ook allemaal niet zo goed.

Ik ook niet. Ze was in ieder geval niet meer die pauzeknop die ik eigenlijk weer had willen vinden, zo realiseerde ik me plots. Nu hadden zij en ik ook al een verleden, met leuke en minder leuke kanten. Dat was niet helemaal het plan geweest. Of helemaal niet. Ik wilde juist even weg van verledens, van herinneringen, van al die verbanden, gevolgen, consequenties.

Ze had ook allemaal gedoe gehad met haar broer, degene die zo vriendelijk was geweest mij in het ziekenhuis te doen belanden. Flinke ruzie, ouders erbij betrokken, ook de Marokkaanse gemeenschap had zich ermee lopen bemoeien. Uiteindelijk had haar broer flink bakzeil moeten halen. Dat wat die avond gebeurd was, dat zou in ieder geval niet meer gebeuren.

Dat was dan weer goed nieuws. Maar verder wisten we het nog steeds niet. We twijfelden aan onszelf, we twijfelden aan elkaar. Genoeg twijfel voor wat een stormachtige nacht zou worden.
Maar eerst de stilte. Ik bij haar, zij bij mij. Naast alle twijfels was er wel iets. Iets bij haar, iets bij mij. Ik dacht aan Ilse, en ik wist dat ik een klootzak was.

Free Blog Counter