Ik wilde eerst de mooie dingen. Ik wilde alleen maar de mooie dingen. Al het andere, dat was om te vergeten, weg te stoppen. Niet om onder ogen te zien. Want wie wil er zwellingen, kneuzingen, littekens zien. Wie wil er pijn onder ogen zien. Pijn uit het verleden. Onvoltooide pijn. Nooit gevoelde pijn. Verleden, ongeleden pijn. Meervoudig leed. Nooit toegelaten.
Onverleden.
Er waren nu ook mooie dingen. Niet alleen vroeger. Dat wist ik wel. Of ik het ook voelde, dat vroeg ik me af. Soms wel.
Haar hand in de mijne, mijn hand in die van haar. Dat voelde in ieder geval goed. Dat gaf me op de een of andere manier iets wat op geloof leek. Of hoop. Liefde, daar dacht ik nog even niet aan. Voelen, dat is weer wat anders.
Ik kon niet veel anders dan haar voelen. Ik wilde ook niet veel anders. Ik merkte dat ik behoefte had aan die hand, die zij mij toestak. Die hand die zij mij gaf. Die ik van haar kreeg. En het voelde anders. Anders dan ooit. Niet beter. Beter kon het nooit meer worden. Slechter ook niet. Dat scheelde. Dat gaf een geruststellend gevoel. Haar hand. In mijn hand.
Zij wilde het dus wel zien. Zwellingen, pijn, kneuzingen. Anders was ze hier niet. Niet zo. Niet helemaal. Ik vroeg het me niet eens af. Soms zijn dingen zo. Dat voel je, dat weet je. Denken moet je soms niet doen. En ik dacht aan die nacht. En wat daarna was. Wat niet daarna was. En ik verbaasde mij over haar. Zij vergat niet. Vergeven is alleen voor degenen die niet vergeten. Ik snapte ineens dat haar vergeven alleen maar kon leiden tot mijn overgeven. Dat was helder. Nog niet kristalhelder, maar wel duidelijk. Niet duizelingwekkend duidelijk. Maar wel zo dat ik begon te beseffen dat er voor mij overgeven bestond zonder dat ik daar zelf misselijk van hoefde te worden. Daar hoefde ik dit keer alleen haar hand maar voor vast te houden. En met haar meegaan. Naar huis. Haar huis.
Zij zat aan het stuur. Ze wist de weg. Dat stond wel vast. Ze wist hoe ze moest rijden. Ik niet. Dat hoefde ook niet. Zij wist de bestemming. Terwijl zij reed keek ik naar haar. Wist ik wel wat ik zag? Geloofde ik wel wat ik zag. Ik hoopte van wel. Een beetje.