Leven (3)

Badend in het zweet. Midden in de nacht. Klaarwakker. Dat krijg je met een slecht geweten. Dat krijg je als je ervoor wegloopt. Dan komt het je midden in de nacht opzoeken. En dat nu al twee maanden lang.
Ik wilde dat alles bleef zoals het ooit was. Alles weer werd zoals het nooit meer zou worden. Iets wat er was voordat ik mijn ogen eruit had zitten janken op het strand. Voordat ik de deur naar iets moois met een asociale klap achter me had dichtgegooid. Definitief. Voor altijd. Onomkeerbaar. Onontkoombaar. Want zo voelde het.
Iets wat er nooit meer zou zijn.

Nooit
zal het ergens
ooit
weer zo zijn

Nergens
zal het ooit
ergens
weer zo voelen

Niets
kan er voor zorgen
dat dat iets
er weer is

Ik wilde het onmogelijke, het onbereikbare. Dat kwam me bekend voor, besefte ik me ineens.
Maar ik wilde wel van dat rotgevoel af. Niets had nog geholpen. Dat ik van vrienden had gehoord dat zij nog steeds ontroostbaar was hielp ook al niet. Hoe kon ik haar nog onder ogen komen? Wat moest ik haar zeggen? Het viel toch ook niet uit te leggen. Het was toch ook volslagen debiel wat ik gedaan had. Echte mensen doen zoiets niet.

Bovendien... Terug naar haar? Wat ik gedaan had kon toch nooit meer ongedaan gemaakt worden. Dat zou altijd tussen ons in blijven hangen. En sowieso kon ik op geen enkele manier woorden vinden die ik tegen haar zou willen, durven en kunnen zeggen.
Het spijt me? Lekker makkelijk is dat. Alsof dat ook maar iets zou veranderen aan wat ik gedaan had.

Ik liep door de stad. Het was avond, en om mij heen was er vrolijkheid, gezelligheid, de ontspannen opwinding van een uitgaansavond die op het punt stond te beginnen. Ik had de afgelopen tijd mijn voormalige vrijgezellenbestaan maar weer eens nieuw leven ingeblazen. Al voelde het nooit zoals het voorheen was. Daarvoor knaagde mijn onvermoeibare geweten te hard, en was de versteende ruïne die eens mijn hart was te voelbaar.

Bier! Daar had ik behoefte aan. Ik liep een kroeg binnen waar het al gezellig druk was. Al rondkijkend zag ik wat bekenden, vaag en minder vaag. Ik meed de minder vagen, ik had nog even geen zin in oprechte interesse. Met mijn tweede biertje in de hand stond ik even peinzend voor me uit te kijken, mijn gedachten kort verzonken in het rustgevende niets. Totdat ik een beuk op mijn schouder kreeg. Hard, maar toch goedbedoeld. Ik keek om en schrok een beetje. Het was haar broer. Of eigenlijk broertje. Maar een beer van een kerel. 'Hee klootzak! Mijn zus probeert je te bereiken man.' Ik probeerde zo min mogelijk schuldbewust te kijken. Ik had op mijn telefoon ook wel gezien dat ze me de afgelopen dagen had proberen te bellen. Uit mijn mond kwam een of andere kutsmoes over een halfkapotte telefoon rollen. Soms haatte ik mezelf echt. Hij keek me doordringend aan. 'Ik weet niet wat er allemaal aan de hand is met je. Dat zijn mijn zaken ook niet. Maar zorg ervoor dat je haar spreekt. OK?!'
Na een vriendschappelijke afscheidsbeuk ging hij weer zijn eigen weg.
En ik de mijne. Waarom zou ze me willen spreken? Ik had eigenlijk niet zo'n zin om me dat af te gaan lopen vragen. De biertjes begonnen hun werk te doen en smaakten naar meer. Aan de andere kant van de bar ontwaarde ik een jonge vrouw met een open blik in haar grote, stralende donkere ogen. Zag ik dat nou goed? Ik keek nogmaals haar kant op. Weinig ruimte voor twijfel bleef over. Met twee versgetapte biertjes in mijn handen liep ik naar haar toe. Ik vroeg me af of ze iets interessants te vertellen zou hebben.
Aisha. En dat had ze.

Free Blog Counter