We waren dichter bij elkaar dan ooit. Zij wilde het graag zo, ik voelde van alles, maar wist niet zo goed wat dat allemaal betekende. In andere tijden was er voor dit soort toestanden meestal de nooduitgang. De uitgang voor noodtoestanden. Weg ermee. Nu kon dat niet. Niet alleen hield mijn gekneusde buitenkant en mijn nog behoorlijk onwillige gestel mij tegen. Er was meer, er was iets groeiende dat steeds meer werd.
Nieuw leven. Nieuw besef. Nieuw gevoel. Waar nog geen barsten in zaten. Nog geen krassen op de buitenkant. Alleen maar een paar.
En zoals het bij haar groeide, aan de binnenkant, zo groeide het ook bij mij. Er groeide wat open, er groeide wat dicht, misschien groeide er zelfs wel wat op. Bij haar kon ik het nog niet voelen, maar dat was een kwestie van tijd. Bij mij voelde ik het wel. Ik voelde veel. Voor haar. Voor ons. Van mij. Van ons. Maar ook wat ooit alleen van mij was.
We groeiden naar elkaar. Naar iets wat ooit samen ging zijn. Als het dat al niet was, een beetje. Zij groeide in mij. Een beetje, steeds meer. Het was geen kwestie van haar toelaten. Ze was er, ze groeide. Net zoals ze er destijds eigenlijk opeens was, opduikend uit de schaduw. Daar had ik eigenlijk nooit zo over nagedacht, waar ze nou zo opeens vandaan was gekomen, waarom ze iets bekends over zich had. Iets vertrouwds. Ik vroeg het me ook niet af. Niet nu. Er waren andere, nog belangrijkere pieker- en peinspunten. Nu wel.
Want zoals de deur naar de toekomst open leek te staan, zo stond ook de deur naar het verleden op meer dan een kier. En de tocht zorgde voor een frisse wind, voor frisse lucht, voor frisse herinneringen. En frisheid kon ik wel gebruiken op de tocht die verder ging. Want ik voelde ook vlagen klamme warme wind die ik soms wilde koesteren, en me soms deden huiveren. Rillen, verwarmen, benauwen, omarmen.