Maar eerst nog even de mooie dingen. Altijd eerst de mooie dingen.
Ik had met opzet een tijdje gewacht met naar achteren gaan. Al wist ik niet eens waarom eigenlijk, het was iets dat vanzelf zo ging. Gewoon nog even verder gaan met wat ik aan het doen was voordat de toekomst voorbij was komen paraderen. Die toekomst was er al, dat was iets wat glashelder was. Kristalhelder. Al ging het gesprek natuurlijk wel even over de dames die ons net waren gepasseerd. En dan vooral over die achterste.
Mijn kameraden waren onder de indruk, dat was duidelijk. Dat niet iedereen dat op een even correcte manier tot uiting bracht, ach, dat is hoe het gaat. En ik zei niet zo heel veel. Ik zei eigenlijk niks. In een kroeg valt dat niet zo snel op, maar wat blijkbaar wel opviel was mijn veranderde gezichtsuitdrukking. Of alles wel goed was, werd me gevraagd. Ja, dat was het wel, dat kon wel gesteld worden. Als je net je toekomst voorbij hebt zien komen, en die ziet er goed uit, dan gaat het meestal wel goed.
Toen de tijd gerijpt was liep ik naar achteren. Naar waar de dames waren neergestreken. Maar die hadden zich inmiddels al verspreid, her en der. Haar hoefde ik niet te zoeken. Zij stond daar. Te staan. Te zijn. Te genieten. Te stralen. Te bewegen op de muziek. Te mooi om waar te zijn. Nee, dat niet. Want ze was er. Tevreden. Alsof ze op haar dooie gemak wat tijd aan het doden was. Te wachten. Maar niemand om haar heen. Alsof niemand de moed had om op haar af te stappen. Alsof het licht te fel was, de warmte te verschroeiend.
En ze keek me aan. En mijn hart stopte niet. Ging niet sneller kloppen. Bonkte niet uit mijn borstkas. Het werd warm, gaf mij het gevoel een goed mens te zijn. En ik liep door, haar aankijkend. Ik voelde dat ik ook begon te stralen. En ik hoefde niet naar woorden te zoeken toen ik bij haar was.
'Hehe, ben je daar eindelijk!' Stralend, uitdagend, twinkelend. Plagerig.
'Kon je het wel een beetje volhouden dan, al dat wachten op mij?' Mijn woorden kwamen vanzelf. Vanzelfsprekend en zelfverzekerd. Meer dan ik ooit geweest was. En haar antwoord was logisch.
'Ik hou niet van wachten!'
Ja, dat was wel duidelijk. Genoeg gepraat. Ik keek haar diep in de ogen, duizelingwekkend. En ik kuste haar op de mond. Zoals je dat doet als je de Ware hebt ontwaard. Het was allemaal goed. En ik merkte aan haar dat ze díe voortvarendheid nou ook weer niet verwacht had. Ikzelf trouwens ook niet. Maar soms heb je dat. Eén keer in je leven. Als je geluk hebt.
En het geluk was met ons. Er was geen twijfel, we vroegen ons niks af, we hadden geen moeite het te geloven. Want het was er, het was onontkoombaar, overduidelijk, overdadig, oogverblindend, ontzagwekkend. Geen kwestie van willen, geen moeilijke vragen, geen voorzichtigheid. Vanzelfsprekend, vast en zeker, veelomvattend, veelbetekenend.
Er was geen omdat, er was geen waarom. Wij waren.
Waarom, waarom, waarom.
Omdat ik het me nooit meer durfde af te vragen. En al helemaal nooit meer te geloven.
Omdat ik vergeten was hoe dat moest. En dat dat moest.
Omdat het allemaal zo zinloos was. Geworden.