De betraande zonnestralen. Hoe was ik eigenlijk in staat geweest dat te vergeten, te verdringen, weg te stoppen? Omdat ik wist wat erna kwam, misschien wel. Omdat de ontroerende schoonheid van Rianne zo'n afschuwelijke lading had gekregen door de dingen die onontkoombaar kwamen.
'Wat is er?'
'Nee, niks, laat me maar even.'
Ze wilde zich groot houden. Niks voor haar. Zij durfde altijd kwetsbaar te zijn. Ik sloeg een arm om haar heen, nam haar in mijn armen. Ze greep mij stevig beet. Ze leek een beetje te rillen, als een dodelijk vermoeid lammetje dat net de zware geboorte had doorstaan. Het deed me pijn haar zo te zien, haar zo te voelen. Maar tegelijkertijd ontroerde het me diep. Dit mooie, prachtige maar nu zo kwetsbare wezen vertrouwde zich volledig aan mij toe.
'Was het niet leuk bij mijn vader?'
Ze begon te snikken. Godverdomme, wat was er aan de hand? Ik voelde haar pijn, haar verdriet, maar ik wist niet wat er achter zat, waar het vandaan kwam.
'Ik heb je vader verteld dat we zwanger zijn.'
O. Dacht ik. Omdat ik dat zelf nog niet eens wist. Dat we zwanger waren. Dat was mooi, dat wilden we graag. Nee, dat was niet mooi. Dat was geweldig! Ik klemde haar nog wat inniger tegen me aan, ik kuste haar op haar wang, zachtjes, teder, op haar lippen. Ze keek me aan, door de tranen heen. Ik snapte eigenlijk nog steeds niet waar die tranen dan vandaan kwamen. Want het waren geen tranen van blijdschap. Toch niet omdat ze zich schuldig voelde dat ze het eerst aan mijn vader had verteld?
Want dat kon me eigenlijk niet zoveel schelen, misschien was dat juist wel mooi.
'Maar daar hoef je toch niet om te huilen?'
Het snikken werd huilen. Ontroostbaar, hoewel ze de troost bij mij zocht. Ze kreeg een onvoorstelbare huilbui, liet zich helemaal gaan. In mijn armen. Ik voelde alles, ik voelde intens en diep verdriet. Ik voelde het door haar heen trekken. Ik voelde het in mij trekken, ik kreeg een ijzig koud gevoel in mij. Dit was niet goed. Dit deed haar zoveel pijn dat het voor mij al bijna onverdraaglijk werd.
We hadden de grenzen van fysieke innigheid eigenlijk al overschreden, zo intiem verstrengeld waren we. Maar zoals altijd waren we grenzeloos.
Ik fluisterde haar in haar oor. Dat ik van haar hield. Dat het goed was. Dat het goed zou komen. Harder snikken.
Snikkend wilde ze wat zeggen, hortend, stotend, naar adem happend.
'Nee! Het is niet goed!'
Dat kwam er met heel veel verdriet uit.
'Het komt niet goed!'
Ze hapte naar adem, ze keek me diep in mijn ogen, door het tranendal heen. Nu ging er iets heel vreselijks komen. De kou in mij deed me huiveren.
'Je vader heeft kanker. Hij gaat dood.'
De pijn, de stilte, het ongeloof, het verdriet, de tranen. En we waren nog zwanger ook. We wisten het allebei niet meer, toen. We hadden elkaar, en dat was alles.