Ze was leuk genoeg om de knoop in mijn maag, mijn natuurstenen hart en mijn almaar doorknagende schuldgevoelige geweten even helemaal te vergeten. Alsof zij de pauzeknop was voor de beklemmende en angstaanjagende film waarin allerlei griezelige innerlijke demonen de hoofdrol opeisten. Maar ook niet meer dan dat.
Al ging er na het horen van haar naam wel een lichte siddering door mij heen. Zoals je een onbehaaglijk gevoel kan krijgen als je geluid denkt te horen vanachter een vakkundig dubbelsteens dichtgemetselde deur, die ooit toegang gaf tot een ruimte die je nooit meer wilde betreden, waarvan je nooit meer wilde weten dat die ruimte er ooit was.
Het bleef bij die ene siddering. Want ze wilde dansen.
En dansen deden we. Alsof ons leven er vanaf hing. Bij mij was dat ook zo. Van haar wist ik verder niet zoveel. Dus ik was onwetend genoeg om in haar nabijheid de zaligheid te kunnen opzoeken en koesteren. Misschien was ze nog wel zwieriger dan ik. Daar stond ik wel van te kijken. Maar ik liet me niet uit het veld slaan, want als het daarop aankomt, dan ken ik geen gelijke. Sommige dingen veranderen niet. En moeten dat ook niet. Nooit. Toch doen ze dat.
Het leek op die manier een waarlijke zwierigheidscompetitie te worden, want zij voelde aan dat ik het niet op me liet zitten, en zette een tandje bij.
Mijn adrenaline kende toch zijn grenzen, zo bleek. Tijden veranderen.
We zochten een wat rustiger plekje op om even uit te blazen. We wisselden wat nietszeggende woorden, terwijl ik ondertussen gewoon blij was met dit swingende intermezzo. Geen gedoe met tedere gevoelens, romantiek en nog veel grotere ellende.
Ik mocht haar wel, mijn charmante pauzeknop. Hoogste tijd om dat zo te laten. En ik verliet de pauzestand, al lukte dat niet zonder wat afscheidszoenen. Maar daar kwam ik wel weer overheen.
Ik inhaleerde de nachtelijke lucht, en samen met het verloop van de avond gaf me dat een gevoel wat best een beetje op tevredenheid leek. Zonder al te diep gepeins liep ik naar huis. Het voelde als een wapenstilstand. Stilte tijdens de storm. In die stilte echode het 'Hee klootzak' van haar broer door mijn hoofd. Dat was dan weer jammer. Maar ik had nu even de moed om te bedenken dat ik haar morgen zou bellen. De urgentie van de boodschap was me wel duidelijk genoeg gemaakt. En ik voelde me even sterk, ik voelde dat ik het wel aan zou kunnen haar weer te spreken. Genadeloze zelfoverschatting was altijd al mijn ding geweest.
Een klootzak zijn ook.
Zo verrassend was het daarom niet dat ik alweer 'Hee klootzak' hoorde roepen. Best hardnekkig, die echo. Maar dit keer klonk het anders. Bozer. Kwaadaardiger. En het werd vergezeld door nog wat meer verwensingen in een taaltje dat door sommigen straattaal wordt genoemd. Opeens was ik omringd door een groepje jonge gasten van het type dat bij veel mensen de onderbuik in beroering brengt. En ze riepen van alles en leken nogal boos en opgewonden. Meestal niet zo'n fijne combinatie.
De jongen met de meest kwaadaardige blik stond voor me, en beet me dreigend toe dat ik van zijn zus moest afblijven. Zijn zus?
Mijn pauzeknop. Dat was zijn zus. Maar nu was er geen pauzeknop. En ik voelde mijn onderbuik grommen. Opflikkeren moesten ze. Niet perse meteen het land uit, maar wel een heel eind weg. En nu meteen. En dat vertelde ik ze dan ook maar. Dat ik zelf wel uitmaakte met wie ik omging. Stelletje teringlijers. Nu was ik ook boos. Heel even leken de wannabe-gangsters zich te bedenken, maar dat was slechts schijn.
Al merkte ik dat pas toen ik mijn neusbotje voelde kraken en ik met een doffe klap achterover sloeg. Daar was weinig zwierigs aan.