Er begonnen dingen op hun plek te vallen. Heel langzaam. En tot nu toe gaf het me een beter gevoel dan ik nooit had willen hopen. Dit, wat er weer was, dit hoorde bij mij. Dat mocht niet vergeten zijn. Daarvoor was het te echt. Te veel.
En het kon. Nu wel. Omdat ik me veilig waande. Omdat ik me geborgen wist. In de armen die me altijd al een merkwaardig vertrouwd gevoel hadden gegeven. In de armen waar ik me kon laten helen, kon laten koesteren. Ze gaf me het gevoel alles aan te kunnen. Een gevoel dat me langzaam maar zeker weer bekend voor begon te komen.
Maar waarom ik? Waar had ik haar aan verdiend? Ik had er zelf in ieder geval knap weinig aan gedaan. Ik had de laatste jaren niet zo heel veel meer gedaan dan er alleen maar zijn. Leven kon het nauwelijks genoemd worden. Dat begon nu pas weer. Tenminste, dat vermoeden had ik. Dat verlangen. Heel langzaam, maar ook wel heel zeker kwam alles terug. Dat wat ik altijd had willen vergeten, en dat ook behoorlijk goed had gedaan. Maar ik begon me nu, heel langzaam, te realiseren dat ik met dat vergeten wel heel drastisch te werk was gegaan. Kind, badwater, dat soort dingen. Dat ik datgene wat me mens maakte ook maar gewoon was vergeten. Leven zonder passie, zonder gedrevenheid, zonder doel. Dat gaat best, dat kan je ook aardig lang volhouden. En als je niet beter weet, dan is het helemaal zo slecht nog niet. Maar als je wel beter weet, of als je beter zou moeten weten, dan is het met terugwerkende kracht misschien nog wel treuriger dan dat wat ik had willen vergeten.
Want dat wat was gebeurd, daar kon ik niks meer aan veranderen. Ik was er nog. Al was ik dat dus ook maar gewoon vergeten.
Er begon van alles door elkaar heen te stromen, het werd lastig om nog onderscheid te maken tussen wat vergeten was, wat geweest was, wat juist niet geweest was, wat er nu was, wat er ging zijn, wat er groeide, wat er verdween. Alles stroomde, alles vloeide. De werelden van vroeger, toen, nu, later en straks stroomden door elkaar heen, vloeiden in elkaar over.
Maar ik voelde mijn hart weer. Mijn ziel. En dat deed de tranen stromen. Alweer. Maar nu was zij erbij. Ik wilde haar erbij. En ik kon het niet zonder haar. Niet nu. Niet hier.
Ilse. Nu. Hier. Echt. Waar.