Ik zag mezelf, tien jaar eerder. Tien jaar van vergeten, van niet zijn, van steenvorming. Al het vergeten, dat was er weer.
Ze was godsgruwelijk mooi. Stralende diepblauwe hemelse ogen, met lange uitdagende wimpers als bekronende omlijsting. Een lach die ieder mannenhart deed smelten, een stem die welluidend en een heel klein beetje hees klonk, waarmee ze de allerliefste dingen kon zeggen, maar mij ook met een paar bijtende woorden net zo vrolijk weer op mijn plek wist te zetten. Zoals op momenten dat ik wegdroomde en haar zwijmelend zat aan te kijken. Of misschien wel te staren. Want dat ging maar niet over, die verwondering en bewondering, ook al kende ik haar al jaren. En ook al wist ik dat ze net zoveel van mij hield als ik van haar. Al heb ik altijd geloofd dat zij er beter in was. Soms vond ze het heerlijk zich te koesteren in mijn verwonderde blik, maar vaker vond ze het leuker om mij met een sarcastische kwinkslag uit mijn dromerigheid te schoppen. En dan genoot ze zichtbaar van het moment van verwarring dat zich in mijn hoofd voordeed.
Elkaar scherp houden, dat was ons nooit eindigende onderlinge spelletje. Verbaal én fysiek. Niet dat het altijd maar door ging. Op de een of andere manier voelden wij elkaar ook op dat gebied feilloos aan. En gunden we elkaar onze eigen eigenaardigheden. Zo was zij helemaal gek van voetbal, of eigenlijk van haar club. Feyenoord. Ik gaf er niet zoveel om. Vond het leuk om wedstrijden te kijken die écht ergens om gingen, wist er wel genoeg van om goed voetbal te herkennen. En om haar af en toe lekker te sarren, want meestal ging het niet zo lekker met haar club. En dan kon ze mijn bloed wel drinken.
We waren elkaar voor het eerst tegengekomen tijdens het uitgaan. Ik met vrienden in de kroeg, zij met haar vriendinnen in dezelfde kroeg. Die avond.
Ik kwam er destijds regelmatig. Zij had af en toe een stapavond. Ik stond wat te hangen en te ouwehoeren aan de bar, zij stond te swingen dat het een lieve lust was. En natuurlijk had ik haar meteen gezien, maar dat kon ook niet anders. Het was een zomerse dag geweest, en de temperatuur had die avond nog niet zoveel zin om echt verkoelend te worden. Zwoel was het. Met als heel vervelende bijkomstigheid dat er aardig wat korte rokjes en jurkjes in het straatbeeld te ontwaren waren. Zij was daar medeschuldig aan. En ze kon het hebben. En dat is vrij eufemistisch uitgedrukt.
Ze zwierde met haar vriendinnen de kroeg binnen, en ik zag haar meteen. Ik was niet de enige. Omdat wij vrij dicht bij de ingang stonden, en het pas verder achterin de kroeg wat breder werd, kwam de hele vriendinnenclub ons op korte afstand voorbij paraderen. Zij liep achteraan. Toen ze langs me liep hadden we oogcontact. Ik zag iets in haar ogen wat ik nog nooit gezien had. En blijkbaar viel mijn blik haar ook op, want terwijl ze doorliep achter haar vriendinnen aan keek ze nog even achterom, met haar blik de mijne zoekend. En die vond ze. Toen wist ik het al. Ik had de toekomst gezien. En die begon op die avond.