Ik merkte aan hem dat hij het zwaar had, al deed hij er zelf zo luchtig mogelijk over. Maar dat ging hem niet al te best af. Hij dacht zelf van wel, en ik liet hem lekker in die waan. Dit was zijn reis die hij moest maken, zijn verleden waarmee hij nooit in het reine had willen komen, zijn kruis dat hij nooit had willen meedragen. Het ontroerde mij enorm dat hij dat nu wel deed, voor mij. Voor ons. Voor ons nieuwe leven.
Ik liet hem gaan, al kostte dat moeite. Want het liefst wilde ik hem vasthouden, hem vergezellen op die reis. Maar dat kon niet. Hij moest dit alleen doen, zoals je altijd dingen alleen zal moeten doen, hoe innig, harmonieus en samen je ook bent. Het enige wat ik kon doen is er zijn. Hem nu geven wat hij nodig had. Zodat hij straks, later, ooit kon zijn wie hij was, wie hij echt was. Ik geloofde, ik voelde, ik hoopte dat zijn echte ik bij mij hoorde. Bij mij wilde horen. Want ik zag zijn echte zelf, zijn echte zelf die hij zo krampachtig voor zichzelf wilde houden. En ik wist ook waarom.
Ik wist ook dat hij niet wist dat ik wist waarom. Hij zou het misschien kunnen weten, als hij alle randjes van zijn herinneringen na zou lopen, als hij alle verbanden die niet zichtbaar waren zou zien. Maar dat kon ook wel nooit zijn, dat dat zou gebeuren. Moest ik dit ook aan hem overlaten, moest ik wachten tot alle puzzelstukjes neergedwarreld waren? Dat was een vraag die ik mezelf steeds vaker begon te stellen. Ik moest hem sowieso eerst op krachten laten komen, er voor zorgen dat hij weer werd wie hij was. Dat hij de kans kreeg te worden wie hij wilde zijn. En bij wie. Hopelijk was dat bij mij.
Maar kon dat eigenlijk wel als hij niet wist wie ik was? En wanneer zou het dan het beste moment zijn om te weten wie ik was? Hoe kon ik hem dat vertellen?
Ik besefte dat ik wel wat uit te leggen had. Ik besefte ook dat het misschien maar langzaam tot hem zou doordringen. Maar ik wilde wel dat hij het wist, en dat hij doordrongen zou zijn van wie ik was. Zonder dat zou het begin al teveel een valse start worden. En zou ik me teveel en te vaak afvragen wat hij wist, wat er al aan puzzelstukjes was komen aanspoelen. Ik moest eerlijk zijn, zo snel als dat kon. Dat wat in mij groeide, en dat wat tussen ons groeide verdiende het om in zuivere lucht te kunnen groeien. Op zuivere bodem.