Langzaam werd ik wakker. Ik voelde de lange nacht in al mijn botten, maar vooral in mijn hoofd. Het zonlicht kwam met bakken tegelijk de hotelkamer binnen. Zij was al wakker, helemaal fris, fruitig en vrolijk. Om jaloers op te worden.
Ze merkte dat ik inmiddels meer wakker dan slaperig was, en in een moedige poging mijn resterende slaperigheid weg te vagen kwam ze even naast me op bed liggen. Samen met al haar frisheid, fruitigheid en vrolijkheid. En nog veel meer.
Al dat zonlicht dat van buiten kwam leek overbodig, de echte zon lag naast me, en keek me met een uitdagende, plagerige blik aan. Haar warme en stralende licht reikte tot in al mijn duistere en donkere binnenkanten, en dat voelde ik, heel diep, heel intens.
Ik voelde een stroom van warm en diep doorvoeld geluk vanuit mijn binnenste opwellen. Dit was wel heel heftig. Ik voelde me plots overweldigd door het acute besef dat hier op deze plek, en nu op dit moment, het pure en haast tastbare geluk in een tsunami-vorm over mij heen kwam denderen. En door mij heen.
En ik voelde ook dat er iets aan het smelten was, aan het verpulveren. Het leek op een allesverterende lava-stroom die alle stukken steen binnen in mij vloeibaar maakte.
Alles wat ik nog hoefde te doen was loslaten, meedrijven op die golven, me warmen aan het stralende licht, de warme vloeibaarheid in mijn binnenste koesteren. Totale overgave, opperste kwetsbaarheid. Ik keek nog dieper in haar ogen, en wist toen ineens dat ik het niet kon. Het was teveel. Ik was te bang. Om mezelf te verliezen. Terwijl ik niets liever wilde dan dat. Hier, nu. En voordat ik het me goed en wel realiseerde was het weg. Er was weer gewoon daglicht dat door de ramen scheen, er kabbelde een groezelig beekje van lauwwarme gevoelens door mij heen, de stukken natuursteen herschikten zichzelf in mijn binnenste, en ik zag in haar blik een begin van totale verbijstering.
In een oogwenk was ik aangekleed en trok ik de hotelkamerdeur achter me dicht. Nietsziend wankelde ik zo snel als ik kon naar buiten, stak de boulevard over om met het mulle strandzand tussen mijn tenen te beseffen dat ik in mijn haast om te vluchten niet eens schoenen had aangedaan. Ik dacht aan haar en voelde de scherven. Ik liep door, ik wilde niet denken, ik wilde weg. Van haar, van hier, van alles. Ik liep door, ik wilde niet voelen, ik wilde rust, ik wilde stilte. Ik liep door, en in de stilte hoorde ik een snik. Van mezelf.
Ik ging zitten, daar waar de branding me niet kon bereiken. De vloedgolven kwamen op mij af, dreigend, uitnodigend, met die onweerstaanbare kadans van brekend water, telkens weer een stukje verder. Alsof de zee mij duidelijk maakte dat er geen houden aan was. En ik liet het gaan, ik brak in ontelbaar veel kleine stukjes, ik voelde me net als de vergruisde schelpen onder mijn voeten. De tranen stroomden in golvende vloed uit mijn ogen, maar ze leken uit mijn hart te komen.
Het was nog lang geen eb.