Het was midden in de nacht. Slapeloos. Ilse sliep. Ik zat in de kamer. Ik liep in de kamer. Ik wist me geen raad met mijn teruggekeerde herinneringen. Ik trok snel wat kleren aan en liep naar buiten. Een rondje door de stad. De lome frisheid van een zomernacht.
Mijn vader ging dood, en ik kreeg een kind. Mijn vader werd opa, en hij ging dood. Ik werd vader zonder vader, ons kind werd kleinkind zonder opa. Alle mogelijke combinaties van triestheid gingen door mijn hoofd. Godverdomme!
Het werd een intense tijd. Met veel voelen, van boven tot onder, van heel diep tot heel hoog. En we deden het zoveel mogelijk samen. Rianne en ik, mijn vader en wij. Het niet bestaande toeval had ervoor gezorgd dat de levensverwachting van mijn vader zo'n beetje gelijk liep met de uitgerekende geboortedatum van ons kind. Dat sloeg nergens op. Dat was bizar.
Fuck toeval, fuck God, fuck de hele zooi. In die tijd ging ik wel eens een uurtje het bos in, wandelen. Om dan, als niemand het kon horen, alle scheldwoorden en vloeken die ik in me had tegen de niet meeluisterende bomen aan te slingeren. Godverdomme, wat was ik kwaad. Tegelijkertijd wist ik ook wel dat het geen enkele zin had, dat kwaad zijn. Dat het veel meer zin had om er voor elkaar te zijn. Maar dat maakte me niks uit. Kwaad was ik. Alleen. In het bos. En dan was ik het weer kwijt, voor zolang als het duurde. Tot mijn volgende rendezvous met mijn scheld en tierbos.
Intens, dat was het. In het begin was er eigenlijk nog niet zoveel aan mijn vader te zien. Hij kon zo'n beetje alles nog, en deed dat dan ook maar gewoon. En hij was er eigenlijk ook vrij gelaten onder, hij vond het op de een of andere manier wel goed.
Natuurlijk had hij dolgraag opa geweest voor ons kind, natuurlijk had hij dat met ons willen delen, zoveel mogelijk, zo intens mogelijk, zo lang mogelijk.
Maar hij zag ook wel het mooie van de cirkelvormige samenloop. Leven dat plaatsmaakt voor nieuw leven. Al kon ik me dan weer heel boos maken over zo'n stompzinnige redenering. Maar het gaf hem troost, houvast, rust. En ik had mijn scheld en tierbos. Hij bleef maar vertellen hoe fijn hij het vond en had gevonden dat hij met mij en Rianne zo'n warme band had gekregen. Dat hij daardoor ook vrede kon hebben met hoe het was en hoe het ging zijn.
En meer en meer kon ik dat dan ook maar, dat vrede hebben. Er iets aan veranderen, dat kon toch niet. Het zo goed mogelijk verwerken, beleven, inleven, dat deden we. Meer was er niet. Al was er ons kind, dat er aan kwam. Natuurlijk. Maar die groeide gewoon door. Die was nogal onverstoorbaar. Die trok zich helemaal nergens wat van aan. Wat een kutkind, haha.
Daar maakten Rianne en ik dan maar dat soort grapjes over. Je moest toch wat. Maar ondertussen koesterden wij onze zwangerschap.
En we hoopten niet zo stiekem dat mijn vader ons kind nog kon zien, kon vasthouden, dat hij dat nog kon en mocht meemaken. Dat we met zijn drietjes de naam voor ons kindje hadden bedacht, dat was iets wat alleen maar logisch was. En we waren er best snel uit, dat ook nog. We wisten dat het een meisje zou worden. Dat was wél voor mijn vader. Rianne en ik hoefden dat eigenlijk niet zo nodig te weten, mijn vader wilde het wel heel graag. Hij vond het geweldig, hij was trots, hij was blij, hij vergat soms gewoon zomaar dat hij ziek was, en nog veel zieker zou worden. Hij voelde zich, toen hij hoorde dat het een meisje was ook al meteen opa.
Van Aisha.
Aisha. Mijn dochter. Ons kind. Even. Ooit. Altijd. Maar er was ook nog een andere Aisha. Veel korter geleden. Zwierigheid en stralende ogen. Waar was die eigenlijk gebleven?